Publicatiedatum: 06-11-2019

Nieuws

De toezichtpraktijk van Kerkrade: David Rantong

Om de rechtmatigheid binnen de Wmo en de Jeugdwet te controleren en onderzoeken, hebben de gemeenten een toezichthouder nodig. Binnen de Wmo is dit verplicht, binnen de Jeugdwet wordt dit sterk aangeraden. Hoe gaan gemeenten hiermee om? Hoe richten ze het in? Waar lopen ze tegenaan? En wat komen ze tegen? Team Zorg van VNG KCHN legt deze en andere vragen ook dit jaar voor aan toezichthouders van verschillende gemeenten en samenwerkingsorganisaties.

David Rantong van de gemeente Kerkrade is al sinds 2004 actief als sociaal rechercheur in het sociaal domein. Eind 2016 werd hij daarnaast aangewezen als Toezichthouder Wmo 2015. Op dit vlak geeft David aan dat er nog veel valt te leren. Zijn belangrijkste drijfveer is dat cliënten niet alleen de geïndiceerde uren aan zorg moeten krijgen, maar ook recht hebben op kwalitatief goede zorg in een veilige omgeving. Hij ziet dat het vaak de zorgaanbieder is die het niet zo nauw neemt met de regels. Ook merkt hij dat het bij zijn taak als toezichthouder belangrijk is om breder te kijken omdat er meer partijen bij zijn betrokken en omdat er vaak veel speelt rondom de cliënt. Heel anders dus dan binnen de Participatiewet, waarbij je vooral verifieert of een bijstandsgerechtigde zich aan de regels houdt.

Hoe zijn toezicht en handhaving voor de Wmo 2015 in Kerkrade georganiseerd?

De 4 sociaal rechercheurs zijn naast toezichthouder rechtmatigheid binnen de Participatiewet ook aangewezen als toezichthouder rechtmatigheid Wmo 2015.  Op dit moment ben ik de enige die zich daadwerkelijk met de rechtmatigheid Wmo 2015 bezighoudt, maar ik krijg waar nodig wel hulp van het team.

Wat betreft toezicht op de kwaliteit is het calamiteitstoezicht neergelegd bij de GGD-Zuid-Limburg. 

Welke afdelingen zijn er allemaal direct of indirect betrokken bij het voorkomen en bestrijden van zorgfraude?

Wmo-consulenten, consulenten van Werk en Inkomen, beleidsmedewerkers, het Bedrijfsbureau, Openbare Orde en Veiligheid en het Veiligheidshuis.

En hoe is in Kerkrade de afstemming tussen kwaliteit en rechtmatigheid geregeld?

Op dit moment is er nog geen specifiek werkproces inzake het ontvangen, verwerken en afhandelen van (fraude)signalen en is er geen vaste overlegstructuur. Wel vindt er overleg plaats tussen de Wmo-consulent en mij zodra hij of zij signalen ontvangt of zelf iets constateert tijdens een (her)onderzoek. We zijn van plan om de organisatie van toezicht en handhaving Wmo 2015 op deze basis in te richten.

Met welke externe partners heb je in jouw dagelijkse praktijk veel contact en wat levert dat je op?

Vooral met de collega’s van de gemeente Heerlen en de gemeente Sittard-Geleen met wie ik momenteel een gezamenlijk onderzoek doe. Het levert een fijne samenwerking op, waarbij we veel kennis en ervaring met elkaar uitwisselen. Ook de VNG (KCHN) en de IGJ ondersteunen ons. Vooral aan de toezichthouder van de buurgemeente Heerlen heb ik veel steun gehad in een onderzoek. Het komt erop aan elkaar op te zoeken en open te staan voor elkaars adviezen.

Welke casus heeft op jou de meeste indruk gemaakt?

Dat betreft een onderzoek naar een stichting die gerund werd door familieleden die in het verleden al betrokken waren bij pgb-fraude, bijstandsfraude en verdachte faillissementen. De constructie van de stichting leek erop gericht andere bestuurders op de voorgrond te zetten en zelf buiten beeld te blijven.

Bij de gemeente kwamen verschillende meldingen binnen, waarbij ernstige zorgen ontstonden over de ondersteuning die een organisatie leverde aan kwetsbare cliënten. Het ging om verwaarlozing van een cliënt in zijn woning, cliënten die uit hun woning werden gezet of hiermee bedreigd werden, slechte huisvesting, cliënten die onder verdachte omstandigheden overleden waren, zeer matige begeleiding, noem het maar op. Het was heel moeilijk om deze kwetsbare cliënten aan het praten te krijgen. Hieruit werd het effect van (bewust gecreëerde) afhankelijkheid pijnlijk duidelijk. De stichting was kort daarop ‘ineens’ failliet en de initiatiefnemers zetten de zorgverlening voort in een nieuwe stichting onder de naam van een ander familielid.

Een dergelijke casus staat niet op zichzelf. Ik denk dat veel collega’s in het land vergelijkbare gevallen zien. In de aanpak hiervan is nog veel winst te boeken.

Door dit onderzoek is mij nog helderder geworden dat het van belang is aan de voorkant goed te onderzoeken of iemand in staat is om te voldoen aan de aan het pgb verbonden rechten en plichten. Daarnaast is het belangrijk om aan de voorkant strenge (kwaliteits)eisen te stellen ter bescherming van deze kwetsbare groep.

Waar zie jij als relatieve nieuweling in het zorgdomein kansen voor de gemeente om het toezicht verder te versterken?

Vooral netwerken met externe ketenpartners: hoe kun je informatie met elkaar delen en inzichten opdoen hoe zij met de aanpak van zorgfraude omgaan? Neem de IGJ en ISZW; de ervaring met zorgfraude en toezicht is enorm, daar moet je uit putten.

Daarnaast liggen er kansen in het verbeteren van de afstemming tussen de toezichthouders rechtmatigheid en kwaliteit en het fraudealerter maken van de Wmo-consulenten. Het zorgdomein is bij uitstek een plek om meer ‘out of the box’ te denken. Dus ook andere afdelingen binnen de gemeente alerter maken. Bijvoorbeeld de afdeling die vergunningen verleent aan een zorgaanbieder voor een locatie voor een dagbesteding. Denk aan het bestemmingsplan, de veiligheid van de omgeving, de technische staat van een pand, brandveiligheid e.d.

En wat heb je nodig – denk aan instrumenten, best practices, handreikingen, advies, etc. – om je werk nog beter te kunnen doen?

Allereerst capaciteit en tijd. Gemeenten kampen met bezuinigingen. Meer taken met minder mensen. 

Kijk, de basis moet staan: een goede verordening met daaraan gekoppeld beleidsregels en deugdelijke beschikkingen. Die zijn essentieel om de rechtmatigheid en de kwaliteit van een voorziening te kunnen toetsen. Je werkt zo ook aan preventie.

Verder moet de informatiedeling beter geregeld worden. Extern, met ketenpartners, maar ook intern, bijvoorbeeld over de domeinen inkomen en zorg heen.

In het verlengde daarvan zou ik graag zien dat een gemeente een raadpleegsysteem tot haar beschikking heeft om te zien of een zorgverlener al eerder in beeld is geweest bij andere gemeenten, of dat er relevante justitiële antecenten zijn. Maar ook meer basaal de mogelijkheid om na te gaan of personen daadwerkelijk over geschikte certificaten en diploma’s beschikken. De vraag is of dit te realiseren is.

Als je morgen een nieuwe, onervaren collega krijgt, welke tips zou je hem of haar geven?

Net als bij de Participatiewet begin je met de standaardstappen. De eerste stap is goed dossieronderzoek doen, in Wmo-casussen aan de hand van zorgplannen, beschikkingen, etc. Daarnaast is het belangrijk dat je de betrokkenen kent en dat je de relevante mensen erbij betrekt. In dit geval zijn dat de Wmo-consulent en de toezichthouder kwaliteit. Maar de belangrijkste tip is: ‘gewoon doen’. Als ik naar mezelf kijk - met gezond verstand en een training zorgfraudeonderzoek in mijn zak - leerde ik toch pas door een onderzoek uit te voeren écht welke informatie, tools en mensen ik nodig had en zag ik de mogelijkheden en onmogelijkheden.

Wat zijn de grootste uitdagingen die nu op je bord liggen?

Vooral betere afstemming met Wmo-consulenten en met de toezichthouder kwaliteit. Het (fraude)alerter maken en de bewustwording van de interne organisatie. Daarbij is het belangrijk om het management erbij te betrekken en meer politiek draagvlak te creëren.

We zijn vanuit het denken in cijfers geneigd om toezicht en handhaving te vertalen in financieel resultaat: wat levert het op? Begrijpelijk, maar die denkwijze past niet meer in het brede sociale domein. We moeten, net als andere afdelingen, gaan denken in de maatschappelijke impact van ons handelen. Het lastige van toezicht en handhaving binnen het sociaal domein is dat het opsporen van fraude niet direct een financieel voordeel oplevert. Maar het werkelijke doel van toezicht en handhaving is dat geld juist besteed wordt en regels worden nageleefd.

Ondersteuning is een taak van de gemeente en dient geleverd te worden. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de juiste en kwalitatief goede zorg en moet ook de veiligheid van kwetsbare cliënten waarborgen. Toezicht moet zich daarom richten op waar ‘het er het meeste toe doet’: de malafide aanbieder die onterecht duizenden euro’s onterecht ontvangt. Dit is een hele andere denkwijze dan in de Participatiewet waar het stopzetten van een uitkering direct voordeel oplevert.