Publicatiedatum: 01-10-2019

Nieuws

De toezichtpraktijk van Heerlen: Raphaël Teeling

Hoe gaan gemeenten en samenwerkingsorganisaties om met rechtmatigheidstoezicht binnen de Wmo en de Jeugdwet? Hoe hebben ze het ingericht? Waar lopen ze tegenaan? En wat komen ze tegen? Team Zorg van VNG KCHN legt deze en andere vragen voor aan toezichthouders in het veld.

Raphaël Teeling is sinds 1 november 2018 werkzaam als toezichthouder Wmo bij de gemeente Heerlen. In totaal is hij al 15 jaar actief binnen het sociaal domein. Na zijn studie Sociaal Juridische Dienstverlening ging Raphaël aan de slag bij SV Land. Hier deed hij 14 jaar lang projecten en opdrachten handhaving bij sociale diensten in het land. In zijn laatste jaar bij SV Land kwam daar ook handhaving Wmo bij. Toen hij de kans kreeg om hiermee bij de gemeente Heerlen fulltime aan de slag te gaan, twijfelde hij geen seconde.

Hoe zijn toezicht en handhaving voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet in Heerlen georganiseerd?

Zoals bij veel gemeenten is het ‘harde’ toezicht op rechtmatigheid bij ons belegd bij sociaal rechercheurs. Na een recente gemeentelijke reorganisatie is de sociale recherche onderdeel geworden van het team sociale veiligheid en buurtregie. Dit lijkt een klein detail, maar past precies in de veranderende visie op handhaving, waar ook het Wmo-toezicht deel van uitmaakt. Alle zeven sociaal rechercheurs in het team zijn aangewezen als toezichthouder Wmo, maar in de praktijk ben alleen ik er op het moment mee bezig. We zitten in een bouw- en ontwikkelfase en dat betekent steeds weer keuzes maken om de beperkte capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten.

Als eenling ben ik met 100 dingen tegelijk bezig waardoor het soms lijkt alsof ik niet vooruitkom. Lijkt, want we hebben als team al best wat stappen gezet. Binnenkort zetten we nog een belangrijke stap: het projectmatig aanpakken van de implementatie van Wmo-toezicht. Daar kijk ik erg naar uit omdat ik mijn ervaring van de afgelopen tien maanden dan kan gebruiken om het toezicht verder te helpen professionaliseren en uit te breiden. Wat mij betreft geven we parallel hieraan ook het nu nog niet georganiseerde toezicht op de Jeugdwet vorm.

Wat waren de belangrijkste stappen om hier te komen?

Ik kon niet terugvallen op een bestaande structuur. Uit ervaring weet ik dat het dan belangrijk is dat je ergens begint en dingen durft te doen. Vanuit mijn rol als toezichthouder kreeg ik al snel een brede kijk op het werkveld en zag ik veel verbeterpunten. Tja, waar dan te beginnen en op te houden?

Samen met de toezichthouder van een buurgemeente besloot ik een omvangrijke casus op te pakken naar de rechtmatigheid en kwaliteit van een pgb-aanbieder. Naast de interessante inhoud, liepen we natuurlijk tegen van alles aan: procesmatig, juridisch, bestuurlijk, noem maar op. We zijn de casus gaan benaderen als een soort ‘pilotstudie’ voor ons als toezichthouders. De lessen daaruit bleken van grote waarde en we hebben ze omgezet in adviezen, voor onszelf en voor onze gemeenten.

Welke casus heeft op jou de meeste indruk gemaakt?

De afwezigheid van enige mate van zelfreflectie bij sommige aanbieders blijft me verbazen. Hoe groot de puinhoop ook is, problemen ‘overkomen’ hun slechts. Daarin hebben opmerkelijk genoeg anderen wél schuld: cliënten, gemeente, SVB, ‘het systeem’. Hoeveel bewust ‘opmerkelijke’ keuzes in hun bedrijfsvoering en de gevolgen daarvan je hun ook voorlegt, ze erkennen hun eigen aandeel daarin niet. Tegelijk houden ze vol dat ze zeer kundige (zorg)ondernemers zijn. Tja.

De gemeente is in dit verhaal verantwoordelijk voor de veiligheid van de cliënt en voor de kwaliteit en continuïteit van de zorg, maar in haar mogelijkheden beperkt. We hebben nog een wereld te winnen, bijvoorbeeld wat betreft mogelijkheden om malafide aanbieders actief te weren en dubieuze cliëntvertegenwoordiging tegen te gaan.

Hoe wil Heerlen het samenspel tussen kwaliteit en rechtmatigheid van de zorg vormgeven?

Het is in andere bijdragen van collega’s al genoemd; het grijpt in elkaar en kan niet los van elkaar worden gezien.
In Heerlen en de ons omringende gemeenten is de regionale GGD aangewezen als toezichthouder voor calamiteiten- en incidententoezicht. In één onderzoek trok de GGD samen met ons op. Dit was zeer leerzaam en toonde de noodzaak voor structureel kwaliteitstoezicht aan. Ik zou graag zien dat we ook proactief kwaliteitstoezicht inrichten en daarin gaan samenwerken en elkaar versterken.

Wat kun je vertellen over de samenwerking tussen relevante afdelingen binnen de gemeente en met partners buiten de gemeente?

Samenwerken is één van de kanten die deze functie zo leuk maakt. Die samenwerking begint met investeren in elkaar en elkaar tegemoet treden met een open houding. In mijn eigen team is dat aan de orde van de dag. Mooi, want hier zit de kennis en ervaring letterlijk om me heen. Ook buiten mijn team heb ik de afgelopen maanden veel tijd en energie gestoken in het bouwen van relaties en ik zie dat dit vruchten afwerpt. Intern bijvoorbeeld met de Wmo-consulenten. Die hebben al een gezonde kritische blik en voelen vaak terecht al aan dat er iets vreemds aan de hand is. Daar leer ik van en tegelijk kan ik hen ondersteunen.  

Ook andere afdelingen en terreinen van de gemeente betrek ik bij mijn praktijk: van de afdeling Veiligheid en Handhaving tot de beleidsafdeling Wmo én het lokaal bestuur. Als Heerlen begrijpen ‘we’ dat het besteden van geld aan ondersteuning en hulp goed en rechtmatig moet gebeuren.

Externe contacten en partners zijn voor mij onmisbaar. Voor praktische ondersteuning en als klankbord. De regio-adviseur van VNG KCHN is een vaste gesprekspartner, maar denk ook aan mijn collega-toezichthouders in het land. Kennis is er vaak al en wielen hoeven niet opnieuw uitgevonden te worden. Toezichthouders in de regio weten elkaar al te vinden, maar ik zou dit graag meer structureel zien. Kennisdeling, samenwerking en mogelijk ook een gezamenlijke aanpak.

Verder hebben we veel contact met partijen zoals IGJ, RIEC en SVB Fraudeteam.

Wat is er in jouw ogen nodig om de keten van toezicht en handhaving sluitend te krijgen?

Tijd! We moeten niet de illusie hebben dat we zaken binnen een paar jaar voor elkaar hebben. Met collega-toezichthouders filosoferen we weleens over hoe we de ontwikkeling van dit werk zien. Daar komen hele mooie ideeën uit voort: regionale samenwerking, professionalisering, ga zo maar door… Om ons daarna ook te realiseren dat we daar nog lang niet zijn. Ik zie daarin dat we in staat zijn om innovatief te denken en te werken, maar dat we ook met de realiteit van vandaag al veel kunnen. Dat geeft energie.

Welke drie tips wil je aan je collega’s meegeven?

  • Neem degene waarmee je in contact komt, of dat nu een cliënt, aanbieder, afdelingshoofd of politiek bestuurder is, (ongevraagd) mee in jouw praktijk en processen. Maak gebruik van je ‘spin in het web’-positie. Leg uit waar je mee bezig bent en ga er niet vanuit dat de ander denkt zoals jij, of weet en begrijpt wat voor jou logisch is.
  • Positioneer jezelf als toezichthouder, binnen de gemeente en extern, en pak de rol die daarbij hoort. Dit is een heel andere rol dan die van sociaal rechercheur en je doet het er niet ‘even bij’. Neem de tijd voor die positionering, evalueer tussentijds en stel zo nodig bij.
  • Blijf in iedere situatie steeds de simpele, logische vragen stellen: ‘Waarom is dit zo?’, ‘Is dit écht gewenst?’, ‘Wat vind je er zelf van?’, ‘Wat zou je willen veranderen?’ Verbaas je over het effect en de antwoorden…

 Wat zijn de grootste uitdagingen die nu op je bordje liggen?

Als ik het holistisch uit zou drukken zou ik zeggen: simpel, omgaan met het Nu… Ik bedoel daar natuurlijk mee dat ik van alles wil wat er nu nog niet is of nog niet mogelijk is. Voor veel collega’s herkenbaar, denk ik. Maar goed, dat is ook wat het zo leuk maakt. Ik kan als professional veel zelf vormgeven en ontwikkelen op een gebied met grote maatschappelijke impact.

Ten slotte, aan welke collega-toezichthouder(s) in het land wil je de pen doorgeven?

David Rantong van de gemeente Kerkrade.