De toezichtpraktijk van Almere: Rob Fennema | Interview

Dit document is actueel.

Laatste wijziging: 31-10-2018

Om de rechtmatigheid binnen de Wmo en de Jeugdwet te controleren en onderzoeken, hebben gemeenten een toezichthouder nodig. Binnen de Wmo is dit verplicht, binnen de Jeugdwet wordt het sterk aangeraden. Hoe gaan gemeenten hiermee om? Hoe richten ze het in? Waar lopen ze tegenaan? En wat komen ze tegen? Team zorg van VNG KCHN legt deze en andere vragen voor aan toezichthouders van verschillende gemeenten.

Rob Fennema is sinds 2016 toezichthouder Wmo en Jeugdwet bij de gemeente Almere. Hij kreeg de pen aangereikt van Chantal van Geffen van de regio Brabant Noordoost-Oost.

Rob heeft veel ervaring met handhaving binnen de Participatiewet. Naïef is hij beslist niet, maar toch is hij enigszins verbaasd over het grote aantal zaken dat hij tegenkomt in dit voor hem nieuwe domein. Als voorbeelden noemt hij gesjoemel met de hoeveelheid zorg en het inzetten van lager (dan verplicht) geschoold personeel. Ook ziet hij dat mensen vaak vanuit goede bedoelingen zorg gaan aanbieden, maar dat geld – naarmate de tijd verstrijkt – steeds meer de boventoon gaat voeren. Goed toezicht is dus geen overbodige luxe.

Hoe is het toezicht op en handhaving van de Wmo 2015 en de Jeugdwet georganiseerd in Almere?

Almere heeft toezicht en handhaving gesplitst georganiseerd. De GGD is verantwoordelijk voor de incidenten en calamiteiten en voor de signaal-gestuurde kwaliteitsonderzoeken voor alle Flevolandse gemeenten. Dit laatste in het licht van de regionale taken die Almere uitvoert.

Voor het lokale signaal-gestuurde toezicht heeft Almere in mijn persoon een eigen toezichthouder in huis. Voor onderzoeken naar de rechtmatigheid schakel ik team Handhaving van het sociaal domein in.

Zijn jullie hier direct op 1 januari 2015 mee begonnen of is het hier langzaam naartoe gegroeid?

In 2015 was ik teamleider van team Handhaving en is afgesproken dat dit team – naast de onderzoeken op het gebied van de Participatiewet – ook de onderzoeken binnen de Wmo ging doen. Later kwamen daar nog de rechtmatigheidsonderzoeken voor de Jeugdwet bij.

Zelf werd ik in 2016 aangewezen als toezichthouder Wmo en Jeugdwet. In die hoedanigheid houd ik toezicht op de kwaliteit en rechtmatigheid van de Wmo en de rechtmatigheid van de Jeugdwet. In die positie werk ik nauw samen met de GGD, team Handhaving én met andere gemeenten in de regio.

Waarom vindt de gemeente Almere het belangrijk om fouten en fraude goed te kunnen voorkomen en bestrijden?

Het gaat binnen de Wmo 2015 en de Jeugdwet om een groot bedrag dat rechtmatig en voor het juiste doel ingezet dient te worden. Daarnaast is gebleken dat indien het budget niet op de juiste wijze wordt ingezet, er ook dikwijls een kwaliteitskwestie speelt. Dat resulteert vaak in geen of te weinig zorg voor de cliënt.

Sinds kort heeft Almere ook een team Contract- en Leveranciersmanagement (CLM). Deze CLM’ers hebben een aantal aanbieders in hun portefeuille waarmee zij periodiek contact hebben en zaken kunnen bespreken. Zo kun je fouten en fraude mogelijk voorkomen of in een vroeg stadium een halt toeroepen. 

Wat zijn de belangrijkste randvoorwaarden om fraude te bestrijden?

Belangrijke randvoorwaarden zijn bijvoorbeeld het genoemde periodieke overleg met de aanbieders op basis van sluitende contracten en voorwaarden.

Daarnaast is het belangrijk om handhavers aan te wijzen als toezichthouder, zodat alle benodigde bevoegdheden kunnen worden ingezet. En natuurlijk moet je als gemeente werken met beschikkingen. Heb je geen beschikking en gaat het mis, dan kun je echt helemaal niets.  

Met welke argumenten kunnen ambtenaren het bestuur van hun gemeente overtuigen van het belang van toezicht en handhaving?

Het bestuur is uiteindelijk verantwoordelijk voor goede zorg aan burgers en de besteding van Wmo- en Jeugdwetgelden. Inmiddels zijn er landelijk veel voorbeelden van misstanden binnen de Wmo en Jeugdwet aan het licht gekomen. Als het toezicht goed is belegd en goed wordt uitgevoerd, kun je als gemeente voorkomen dat er grote(re) misstanden bij aanbieders plaatsvinden. Misstanden waar het bestuur verantwoording over moet afleggen. Daarnaast kan  goed toezicht eraan bijdragen dat de zorg voor cliënten op een juiste wijze wordt uitgevoerd.

Welke fraudecases zijn je het meest bijgebleven?

Een van de zaken die het meest in het oog sprong was een pgb-aanbieder die 4 pgb-cliënten had in Almere en 3 in Lelystad. Deze aanbieder verzorgde ook huisvesting voor cliënten. Nadat het pgb was geregeld kwam de aanbieder slechts 1 keer per maand langs voor de handtekening voor de declaratie. Hij leverde verder geen zorg. In deze zaak stelden we een kwaliteits- en rechtmatigheidsonderzoek in en maakten we een proces-verbaal op dat we verzonden aan het Openbaar Ministerie.

Kun je iets vertellen over de resultaten die jullie hebben geboekt?

Inmiddels zijn er een aantal kwaliteitsonderzoeken afgerond. In sommige gevallen zijn de contracten met de aanbieders beëindigd. In andere gevallen is een handhavingstraject ingezet om de zorg op het juiste kwaliteitsniveau te krijgen.

Hebben we het over cijfers, dan zijn de onderzoeken die zijn afgerond goed voor een bedrag aan fraude van ruim 1 miljoen euro. Daarom ben ik ook zo blij met de komst van het CLM. Met de periodieke contacten die zij met aanbieders hebben, kun je mogelijk voorkomen dat aanbieders zich niet aan de afspraken houden. Op die wijze voorkom je onjuiste besteding van zorggelden.

Hebben jullie ook al succesvol onterecht verstrekte gelden teruggevorderd?

Er is inmiddels in diverse zaken terugvordering ingesteld. Een punt van zorg is dat terugvordering in de Wmo 2015 niet volledig is geregeld. Terugvordering dient in principe te gebeuren bij de budgethouder, maar die heeft zelf nooit geld ontvangen. We hebben wel wat lagere bedragen teruggevorderd, maar het is niet zo eenvoudig als onder de Participatiewet. Voor pgb’s die na 2017 zijn afgegeven, is het door het derdenbeding mogelijk om bij de aanbieder terug te vorderen. Dat maakt het wel iets gemakkelijker.

Ten slotte ging bij ons in enkele gevallen de onderzochte aanbieder failliet, zodat terugvordering onmogelijk of zeer moeilijk werd.

Wat is er in de ideale situatie nodig om fouten en fraude te voorkomen of vroeg in de kiem te smoren?

Ik denk dat bijvoorbeeld het CLM hier een grote bijdrage aan kan leveren door periodiek de zaken met aanbieders door te nemen en te bespreken. Zo kunnen in ieder geval fouten voorkomen worden en aanbieders weten dat er aandacht voor is.

Daarnaast ben ik benieuwd wat pgb 2.0 – dat op het ministerie van VWS wordt ontwikkeld – gaat betekenen. Als daarin zaken worden opgenomen of aangepast aan de hand van ervaringen uit het verleden, dan kan ook hiermee e.e.a. voorkomen worden.

Wat ook belangrijk is, is het landelijk delen van informatie zodat breed bekend is  welke aanbieders zéker in aanmerking komen voor extra aandacht. Verder denk ik dat er meer contact dan wel samenwerking zou moeten komen tussen toezichthouders. Ook hiermee wordt informatie over dubieuze aanbieders eerder en breder bekend. In Flevoland is er inmiddels een periodiek regionaal overleg tussen de toezichthouders van de gemeenten en de GGD. In dit overleg worden onder meer lopende onderzoeken besproken zodat informatie vanuit de diverse gemeenten benut kan worden in het onderzoek.

Aan welke toezichthouder wil je ‘de pen doorgeven’?

Ik geef de pen door aan Karin Atema van de gemeente Den Helder.

Organisatie

VNG KCHN