Vragen en antwoorden

Om als gemeente een interventieteam te kunnen starten geldt een aantal voorwaarden:

  • Er moet voldoende aanleiding zijn. Deze is aanwezig wanneer er sprake is van bovenmatige regelovertreding in het sociaal/fiscaal domein. Dit wil zeggen dat de omvang van de regelovertreding buitengewoon is, en/of dat de reguliere handhavingsinstrumenten niet meer volstaan.
  • Er moet sprake zijn van problematiek waarbij minstens 1 andere partner van de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI) betrokken is (Belastingdienst, UWV, SVB, ISZW, Politie, IND).
  • Er capaciteit voor het LSI-project kan worden vrijgemaakt (projectleider, administratieve ondersteuning, projectruimte).
  • Alle betrokken diensten bereid zijn de benodigde medewerking te geven, inclusief het beschikbaar stellen van benodigde gegevens voor bestandsvergelijking.
  • Er moet voldoende bestuurlijk commitment (collegebesluit) en instemming van de LSI zijn. 

Aan een project zelf zijn geen kosten verbonden. Wel dient een gemeente er rekening mee te houden dat er geld in termen van formatie en activiteiten nodig is. Voor een gemeentelijk project moet de gemeente een projectleider leveren. Reken op 0,5 à 1 fte voor de totale duur (project en voorbereiding). Er is ook administratieve ondersteuning vereist (reken op circa een halve fte, de werkelijke omvang hangt af van de projectomvang) en een fysieke ruimte van waaruit het projectteam kan opereren.

Elke (gemeentelijke en externe) dienst die nodig is om de doelstelling van het project te realiseren moet bereid zijn gegevens te delen en personeel beschikbaar te stellen (bijvoorbeeld gegevenseigenaren en -analisten en handhavers). Indien externe gegevensbestanden moeten worden aangeschaft, komen de kosten hiervan bij de gemeente terecht. Dit zijn geen hoge bedragen, maar een paar duizend euro is mogelijk.

Voordat een LSI-project kan worden gestart, dient er altijd bestuurlijk commitment te zijn. Het minimale hierin is een besluit van het college van BenW van de betreffende gemeente. Voordat een projectvoorstel kan worden geagendeerd, moet er ook voldoende betrokkenheid en commitment bij de LSI-ketenpartners zijn. De ervaring leert dat hiermee wel 2 à 6 maanden mee gemoeid kunnen zijn.

Afhankelijk van de projectsoort en -omvang dienen 1 of meerdere projectfasen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het college en/of het Regionale Platform Fraudebestrijding en/of de LSI. In de meest uitgebreide projectsoort kan dit een doorlooptijd van (vaak) 6 tot (minder vaak) 24 maanden vergen. Een projectduur mag in beginsel niet langer dan 12 maanden zijn, behoudens eventueel beargumenteerde verlenging en goedkeuring.  

LSI-projecten bestaan om samen met ketenpartners onrechtmatigheid in het sociaal/fiscaal aan te pakken. RIEC-projecten richten zich op de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit (bijvoorbeeld via Wet Bibob). Het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) opereert op grond van een permanent geldend convenant en onder leiding van de lokale driehoek (Burgemeester/OM/Politie). De lokale driehoek kan daarmee sneller toestemming voor projecten afgeven.

Feitelijke misstanden bewegen zich soms wel over de grenzen tussen beide aanpakken heen. Ondanks deze feitelijke operationele overlap, behoort de problematiek wel daar te worden belegd waar het thuis hoort (criminaliteitsbestrijding bij het RIEC, sociaal/fiscale problematiek bij LSI). Anders ontbreekt de juiste juridische grondslag om gegevens met partners te delen en gezamenlijke aanpak te vertonen.

Nee, het KCHN is een VNG-bedrijf. De VNG is er niet om uitvoerende taken van gemeenten over te nemen, maar om gemeenten te adviseren en eventueel voor hen te lobbyen. Het KCHN levert expertise over nalevingsvraagstukken waar gemeenten mee zitten. De KCHN-adviseurs ondersteunen gemeenten in de trajecten naar en ten tijde van LSI-projecten. KCHN ondersteunt ook op het gebied van Werk en Inkomen, Zorg en Kinderopvang).

De adviseurs kennen de verplichte en effectieve stappen in projecten, bieden waar nodig een helpende hand (schrijvend, contacten leggend, organiserend, et cetera). De verantwoordelijkheid van het project ligt altijd bij het betreffende college van BenW.

De inzet van KCHN-adviseurs is voor gemeenten gratis. Tenzij er diensten uit een aanvullende dienstverleningspakket worden afgenomen, bijvoorbeeld trainingen.

Nee, dat is niet het geval. Naleving is veel breder en richt zich bijvoorbeeld ook op goede communicatie met burgers over diensten en producten (met name in het sociaal domein). Het is hierbij van belang om helder te zijn over de voorwaarden voor diensten. Pas als dat niet leidt tot het voorkomen van (bewuste of onbewuste) regelovertreding, kan worden opgetreden en zo nodig gesanctioneerd. Hierbij zoekt de gemeente de samenwerking met partners in de (SUWI-)keten.

Recreatieterreinen worden regelmatig gebruikt voor onder andere huisvesting van illegaal verblijvende personen, personen die bewust de anonimiteit zoeken vanwege regelovertredend gedrag en mensen die eigenlijk zorg nodig hebben, maar de weg er naartoe niet kunnen of willen vinden. Door samen met ketenpartners de situatie op een recreatieterrein te analyseren en zo nodig te interveniëren, kunnen ongewenste situaties worden aangepakt en kan gericht hulp worden geboden aan hen die dat nodig hebben. Zo worden afgegleden terreinen weer beschikbaar gemaakt voor het oorspronkelijk doel: recreatie.

De Algemene verordening gegevensbescherming is al van kracht sinds 2016. Per 25 mei 2018 treedt de AVG in de plaats van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). In beginsel veranderen 'de eisen voor verwerking van persoonsgegevens' dan niet. De verwerking moest al en moet ook vanaf 25 mei, proportioneel en niet eenvoudiger op andere wijze uitvoerbaar zijn. Iedere verwerkingsverantwoordelijke moet beschrijven waarom en hoe de gegevens worden verwerkt. De burger moet, net als onder de WBP, op de hoogte gesteld worden. De boetes bij het niet naleven zijn hoog en kunnen oplopen tot 20 miljoen euro. Zulke hoge boetes worden echter enkel opgelegd als u ernstig in gebreke bent gebleven.

Burgerzaken (BZ) is de spil in een aantal belangrijke gemeentelijke processen. Zo beheert BZ de Basisregistratie Personen (BRP). De BRP is de (verplichte) bron voor bijvoorbeeld de verstrekking van uitkeringen, zoals bijstand. Burgerzaken is ook de instantie die paspoorten verstrekt. Het is gewenst dat de BZ-medewerker zich bewust is van de risico’s voor het (te) snel verstrekken van identiteitsbewijzen voor de verstrekking van uitkeringen en toeslagen. Door regelmatig contact te onderhouden en kennis te nemen van elkaars werkprocessen - en de daarmee gepaard gaande risico’s - is aan te bevelen. Aansluiting bij een project als Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA) kan helpen.

Het delen van informatie door instanties die een rol spelen in hulpverlening (inkomen, psychische hulp, woonzorg, recht op toeslagen et cetera) kan een beter beeld geven van wat zich daadwerkelijk afspeelt achter een voordeur. Outreachend werken (huisbezoek) en alertheid op signalen van andersoortige problematiek dan die in het eigen werkveld, helpt om probleemgevallen duurzaam te ondersteunen.